The Cinematic Orchestra concretiseert z’n magie kapot met ‘To believe’

door Staf Nys

Wie heeft er in films of op televisie nog nooit ‘To build a home’ gehoord? Het was de single waarmee The Cinematic Orchestra in 2007 doorbrak bij het grote publiek. De progressieve dynamiek en instrumentatie van de oudere albums, waarmee ze zichzelf als pioniers van de nu-jazz mochten bekronen, lieten ze op ‘Ma fleur’ grotendeels achterwege. Ook live wisselde de band de voorbije jaren chaotisch ouder werk bruusk af met al te kalme nieuwe songs. Dat we geen tweede ‘Everyday’ (2002) krijgen, is dan ook geen verrassing.

Openingsnummer ‘To believe’ is een bijna vanzelfsprekend vervolg op het laatste studioalbum van twaalf jaar geleden. Na een intimistisch begin met gitaar, knappe strijkers en de hese stem van Moses Sumney, kondigt een piano ‘Ma fleur’-gewijs een zeemzoet sfeertje aan. Gelukkig duurt het slechts enkele seconden voor Sumneys karaktervolle stem alles weer wat donkerder maakt. En dan moeten de wondermooie strijkers nog terugkomen die alles minder Disney-melig maken dan wel Hollywood-episch.

Er zijn gelukkig meer en meer grote films die achter hun afgelikte grandeur dieper lijken te gaan dan we oorspronkelijk durven te vermoeden. Zo ook in ‘A caged bird/Imitations of life’, een rechttoe rechtaan nummer met overtuigende vocals van oude bekende Roots Manuva. Maar waar wil hij ons nu precies van overtuigen? Boven op de dwingende drums klinkt alles heel urgent, maar uiteindelijk doet de band weinig met die urgentie – waar gaat ‘Lessons’ bijvoorbeeld naartoe?

TCO heeft nochtans zijn zinnen op die urgentie gezet, op directe en gemotiveerde muziek. Ze wilden afstappen van de abstracte, metaforische muziek en iets concreets meegeven – denk aan het sobere artwork, of hun website die je enkel zónder internet kon bekijken, om het paradoxale van de huidige wereld aan te tonen. Mooi, maar in de muziek soms té concreet.

Walk with me / Lead me to the light / Show me where to go / Cause I need your council, give me strength,” zingt Tawiah in ‘Wait for now/Leave the world’. Even schrikken wanneer je haar neosoulstem, die je misschien herkent van bij Kindness of Blood Orange, in deze Adele-achtige ballade hoort. Zo klinken de problemen waar de band mee begaan is – Trump, de Brexit – wel erg licht. Het zijn interessante thema’s, maar in 2016 (AB) en in 2017 (Jazz Middelheim) hoorden we reeds dat een nummer daarover niet per se interessant is. Gelukkig werd er aan die stroop intussen een betere tweede helft geplakt, die dankbaar echo’s oproept van Craig Armstrongs ‘Gatsby’.

‘The workers of art’, waarin er filmmuziek voor maar liefst twee sequenties wordt aangereikt, herinnert dan weer aan hun eigen soundtrack bij Dziga Vertov. Ook in ‘Zero one/This fantasy’ blijven ze in hun vertrouwde omgeving, wanneer hun eigenste gitarist Larry Brown als Grey Reverend zijn stem verleent. Met Heidi Vogel hebben ze ten slotte een waardige opvolgster voor Fontella Bass – al enkele jaren live, en nu dus ook op plaat in ‘A promise’. Compleet nieuw is strijker Miguel-Atwood Ferguson, die zijn sporen reeds verdiende bij onder meer Flying Lotus en op ‘To believe’ elk nummer naar een hoger niveau weet te doen zweven. Stuk voor stuk bijzondere muzikanten, die samen zorgen voor een album waar veel in zit zonder het er altijd uit te halen.