If I live to see the seven wonders – Arnout Coppieters over zeven levensbelangrijke platen

door Arnout Coppieters

Hoewel lijstjes en allerlei andere mogelijke top-10’s of top-weetikveels een persoonlijke liefhebberij zijn van ondergetekende, zijn we bij Indiestyle niet echt verzot op teveel informatie over de auteurs. De muziek staat voorop en zo hoort het ook. Nochtans doen dergelijke lijstjes het wel altijd goed, vandaar dat er voor de zeven levensbelangrijke platenrubriek een uitzondering wordt gemaakt. Voor mij was het even aanpassen aan het feit dat ik voor een keer wel in de ik-vorm mag schrijven en dat al mijn persoonlijke hersenspinsels hun weerslag neergeschreven zien.

Interpol

Interpol voor de lens van Xavier Marquis, en één van de favorietjes van onze Arnout Coppieters

Toen vaststond dat ik de volgende was die zijn levensbelangrijke albums mocht oplijsten, was dit slechts de eerste stap in een lang en gecompliceerd proces. Welke zouden de lijst halen en welke niet. Platen werden gewikt en gewogen, te licht of te vluchtig bevonden. Na de eerste selectieprocedure bleven er nog een vijftiental albums over die kans maakten om de lijst te halen. Omdat over een nacht ijs gaan niet in mijn natuur ligt, heb ik uren, dagen, weken gepiekerd over welke 7 muziekwonderen de hoogste eer verdienden. De volgorde is niet willekeurig, maar vertelt eerder een chronologisch verhaal over het draaien en keren van mijn voorkeuren.

Arctic Monkeys – Favourite worst nightmare

De aftrap wordt gegeven door de onvermijdelijke Arctic Monkeys. Als kind van de nillies en liefhebber van alternatieve muziek is het quasi onmogelijk om geen album van Arctic Monkeys te nomineren. Nochtans is muziek mij niet met de paplepel ingegoten zoals dat bij velen wel het geval is/was. Geen ouders die fervente concertgangers waren, noch een uitgebreide platencollectie hadden waarin het aangenaam snuisteren was op regenachtige dagen. Het was eerder een kapotte pick-up met een zeldzame plaat en een beperkte hoeveelheid cd’s. Dat wil echter niet zeggen dat er geen muziek te horen was in huis. Toch heb ik een beperkte hoeveelheid herinneringen aan de periode voor ik echt actief bezig was met muziek. Met zussen in huis, werd er vaak K3 gespeeld en ook de muziek van de Studio 100-musicals weerklonk vaak in de woonkamer.

De radio stond ook vaak op en het toen nog toonaangevende Studio Brussel was bestemming nummer een. Ik moet een jaar of veertien geweest zijn toen ik echt gedreven op zoek ging naar nieuwe muziek en via Studio Brussel in aanmerking kwam met onder andere Editors, Kaiser Chiefs en Arctic Monkeys. De Monkeys hadden het jaar voordien hun geweldige debuut uitgebracht en zonder daarnaar te luisteren, besloot ik maar gewoon direct voor het gloednieuwe ‘Favourite worst nightmare’ te gaan. Dat bleek uiteindelijk geen slechte zet. Nog steeds vind ik dit een meesterlijk album. ‘Brianstorm’, ‘Fluorescent adolescent’, ‘Teddy picker’, ‘505’, stuk voor stuk puur muzikaal goud. In zijn geheel bekeken misschien net niet zo goed als debuut ‘Whatever people say I am, that’s what I’m not’, maar wel een absolute mijlpaal in mijn ontdekkingstocht.

Interpol – Turn on the bright lights

In die tijd was het internet nog niet wat het nu is. Er was wel Myspace en dergelijke, maar nog niet de online muziekcultuur die nu bestaat. Veel alternatieven waren er niet, dus het beste plan was om muziektijdschriften uit te pluizen op zoek naar nieuwe, goede liedjes. Gelukkig bood de plaatselijke bibliotheek soelaas. Het Britse Q Magazine en het Nederlandse Oor werden met veel gulzigheid verslonden. Ook Humo en Focus Knack werden met veel belangstelling gelezen.

Zo stootte ik in het gezegende jaar 2007 op een recensie van de nieuwste worp van de New Yorkse post-punkers Interpol. ‘Our love to admire’ zou achteraf (net als bij Arctic Monkeys hierboven) niet als het hoogtepunt van de band worden beschouwd, maar ik was wel fan. Ik begon dieper te graven naar de eerdere albums en ontdekte dan het fenomenale ‘Turn on the bright lights’. Uiteraard was dit nog beter dan ‘Our love to admire’ en ik was helemaal weg van Paul Banks’ diepe stem, de onbegrijpelijke teksten en de stomende gitaarlijnen. Bovendien wakkerde deze plaat mijn nieuwsgierigheid aan om op zoek te gaan naar andere bands die eerder neerslachtige muziek maakten, wat mij op het spoor bracht van The National en andere onontdekte parels zoals The Antlers.

The Antlers – Hospice

Na de positieve ervaringen met onder andere Interpol en ‘Because of the times’ van Kings Leon, ging vooral Focus Knack steeds vaker een belangrijke rol spelen als ik op zoek was naar iets nieuws (zowat heel de tijd dus). In 2009 werd een zeldzame perfecte score toegekend aan ‘Hospice’ van de mij tot dan toe onbekende band The Antlers. Het genrelabel erbij luidde post-rock, maar ook dat bleek al snel niet de lading te dekken.

Een ronduit indrukwekkend conceptalbum over de mentale en fysieke doodsstrijd van een terminale kankerpatiënte, dat klinkt als zware kost en dat was het ook. Zanger en frontman Peter Silberman heeft zelf nooit willen verduidelijken of het een relaas was van iemand in zijn naaste omgeving, maar dat het diep sneed bij Silberman is duidelijk vanaf de eerste noot. Zodra opvolger ‘Burst apart’ uitkwam, werden de nummers van ‘Hospice’ ook minder en minder gespeeld omdat de herinneringen te pijnlijk zijn. Is het album dan nog wel beluisterbaar zou je denken. Absoluut, en ik kan het iedereen die een magistraal goed album wil horen aanraden om het ook effectief te doen. Elke noot is raak, elke zanglijn snijdt op plaatsen waar je niet wist dat het kon snijden. Kippenvel.

Neutral Milk Hotel – In the aeroplane over the sea

Het internet was ondertussen up and coming en ook klasgenoten hadden af en toe oog voor onbekende cultklassiekers. Tijdens het snuisteren op diverse internetfora, was ik de in VS toch vrij bekende cultklassieker ‘In the aeroplane over the sea’ van het obscure Neutral Milk Hotel op het spoor gekomen. Een band die volledig voldeed aan het cliché van cultband, inclusief volstrekt wazige en vage frontman in de persoon van Jeff Mangum. Oorspronkelijk voortkomend uit het Elephant 6-collectief, bracht NMH slechts twee albums uit, waarvan nummer twee ‘In the aeroplane over the sea’ het boegbeeld is.

Bij een eerste beluistering was ik direct verkocht. Nochtans is het behoorlijk polariserend. Of je vindt het steengoed, of je vindt het rommel. Het is moeilijk om je vinger te leggen op wat deze plaat nu zo goed maakt. De zang van Mangum is zelfs vals te noemen, de muziek leunt aan bij folk en indie en het is een conceptalbum over de tweede wereldoorlog en Anne Frank. Dat lijken geen al te beste adelbrieven, maar dit is gedurende jaren dé soundtrack van mijn puberteit geweest.

Death Grips – The money store

Een openbaring! Een bom! Mijn muziekbeleving was nooit meer hetzelfde na Death Grips te hebben beluisterd. Er was een tijd dat bovenstaande een verschrikkelijke hekel had aan hiphop. Het gaat dan om de periode waarin 50 Cent, Snoop Dogg en dergelijke de koningen waren in rapland. Al was het eerder Koning Eenoog in het land der blinden, wegens weinig alternatieven in die periode. Met de takkeherrie die Death Grips produceerde, nog het dichtst te catalogeren bij experimentele hiphop, ging er een hele nieuwe wereld open.

Het furieuze ‘I’ve seen footage’ of het knetterharde ‘Hustle bones’ zijn geen spek voor ieders bek. MC Ride spuwt quasi letterlijk zijn verzen op de beats van Flatlander en Zach Hill is een maniak op de drums. En dat op het meest toegankelijke album van de band.

Kendrick Lamar – Good kid, m.A.A.d. City

Waar Death Grips de deur richting hiphop op een kier zette, was het Kendricks fenomenale vertelling over zijn jeugd in Compton, Los Angeles dat de deur wagenwijd openzette. In het begin stond ik er nog twijfelachtig tegenover, maar na een luisterbeurt of twee kon ik er geen genoeg van krijgen. Kendricks flow is ongeëvenaard en de boodschap in zijn teksten is pertinent. Bovendien zijn de beats van een niveau waar andere rappers alleen maar van zouden kunnen dromen. Het album is ook ontzettend gevarieerd. Van het relaas over rondrijden met ‘the homies’ en inbreken in ‘The art of peer pressure’, naar het diepe ‘Backseat freestyle’ en dan via ‘Money trees’ naar de harde beats van ‘m.A.A.d. city’. Persoonlijk vind ik dit album ook beter dan het dit jaar uitgebrachte ‘To pimp a butterfly’.

The National – Alligator

Het laatste album in mijn lijstje is geen album dat een bepaalde verandering heeft ingeluid of een belangrijke gebeurtenis in mijn leven heeft begeleid. Het is gewoon de plaat die ik al het vaakst heb beluisterd en die ik gewoon onwaarschijnlijk goed vind. The National ontdekte ik ten tijde van ‘Boxer’ en al snel dook ik in hun discografie en stootte ik op ‘Alligator’, hun derde album, maar hun eerste werk van enig niveau. Later zouden ze meer algemeen doorbreken met ‘High violet’, maar voor mij blijft ‘Alligator’ hun beste plaat. Soms keihard slaand zoals in ‘Abel’ of ‘Mr. November’, maar op andere momenten zalvend zoals in ‘Karen’ of ‘Daughters of the Soho riots’ en soms ook ongegeneerd melancholisch (‘All the wine’). Dit is een plaat voor elk seizoen en elke gemoedstoestand.