Het is al een wonderbaarlijke vijftiende (!) dag Gent Jazz, die samenvalt met dag nul van de Gentse Feesten. Met gevoel voor symmetrie zou die dag dus ‘dag van de volle portemonnees’ genoemd kunnen worden, al is zo’n begrip relatief voor iemand die opgescheept zit met verbouwingen zoals ondergetekende. De prachtige Bijlokesite werd weer wekenlang omgetoverd tot een paradijs voor al wat in de verste verte iets te zien kan hebben met jazz. Ik koos de dag met headliners Darkside en Snarky Puppy om de jaarlijkse Gent Jazz-cocktail te slurpen. Een dag die, zoals de twee headliners al verklappen, wat op twee benen lijkt te hinken: enerzijds richting bonkende beats, anderzijds richting fladderende fusion.
Ik heb intussen al een dikke tien jaar Gent Jazz achter de kiezen, en elk jaar al vallen er vroege hoogtepunten te rapen. Steevast schiet ik uit de startblokken samen met de eerste act, een pluim die de programmatoren op hun fedora mogen steken, want ook al ken ik de vroege acts maar zelden, ze zijn altijd ijzersterk. Zo ook dit jaar, met Moses Yoofee Trio. Het trio rond pianist, u raadt het nooit, Moses Yoofee doet niets dat in 2026 als wereldschokkend kan worden omschreven. De synths glijden als Kamaal Williams, de drums kletteren als Alfa Mist, de bas dartelt als badbadnotgood. En toch spatte de virtuositeit er dermate van af dat we meermaals luidop moesten lachen met hoe absurd goed de grooves waren. Vooral drummer Noah Fürbringer stal genadeloos de show, een menselijke machine met Gent Jazz-shirt aan, die tot in elke vinger controle had over snelle slagen, polyritmes en rollende cymbalen. Dit Berlijnse trio zou als mijn persoonlijke hoogtepunt van de dag uit de bus rollen.
Het beproefde principe van de laatste festivaljaren in de Bijlokesite wordt aangehouden: afwisselend met de mainstage zijn er kleinere en kortere optredens op de Garden Stage, een kleiner podium in de boomgaard. Hier mocht ‘KVR’ de spits afbijten. Voor alle artiesten onder ons doet dit meteen een belletje rinkelen als afkorting voor het jammer genoeg terziele gegane systeem van de ‘kleine vergoedingsregeling’. De reïntroductie van de envelop met cash was hierna weer een feit. Maar voor het trio onder dezelfde naam, was dit misschien goed nieuws qua search engine optimization. Twee derde komt overgewaaid van STUFF. (Lander Ghyselinck en bassist Dries Laheye), het laatste derde uit Nederland in de vorm van Niels Broos (oa van Jameszoo). De stijl blijft bij momenten ook uiterst dicht schuren tegen de STUFF.-sound, het is ongelofelijk hoe dodelijk funky Broos de keys kan beroeren, alsof een buitenaards blaasinstrument kronkelt over de kantelende beats. KVR blijft bij momenten iets té vormeloos, de meer ambient improvisaties vertalen zich niet altijd goed naar de taal van het publiek. Enkele steengoede momenten (die harmonics op de bas!) maken gelukkig alles goed.
En plotsklaps staan er al tien muzikanten hun beurt af te wachten op het hoofdpodium. Snarky Puppy, twee jaar terug nog goed voor een absoluut headliner slot laat in de avond, moet vandaag al vroeg aantreden. Het zorgt voor een rare situatie: waar twee jaar terug de tent nog afgeladen vol stond, is er nu véél plaats voor wie zijn dansbenen de vrije loop wil laten. Ook het publiek blijkt in andere sferen te vertoeven dan toen, het geroezemoes overstijgt moeiteloos het podiumvolume tijdens stillere stukken. Zo hoorden we iemand zijn favoriete barbecuerecept brullen tijdens het stille nummer ‘Drift’. Een jammerlijke bijwerking van de verder uitstekende en nodige geluidsnormen. Doodzonde, want Snarky Puppy levert een ijzersterke show, nog sterker dan twee jaar terug. Veel heeft te maken met de kracht van het nieuwe materiaal, opgenomen met het Nederlandse Metropole Orkest. Die laatste lieten ze thuis over de grens, het hield hen echter niet tegen om vooral uit dit nieuwe materiaal de set te puren.
Opener ‘Waves upon waves’ overspoelde ons en bracht ons in dromenland, waarna ‘Chimera’ ons de jungle binnenloodste met gevoel voor pathos en de spanning van een goeie nachtmerrie. Het absolute hoogtepunt kwam uiteindelijk in de vorm van ‘Recurrent’ eerst en vooral al een ijzersterk spel van grooves, maten en melodieën dat uitmondt in een onvoorstelbare, duizelingwekkende drumsolo, terwijl de piano koppig zijn simpele patroon schuift over zoveel percussief geweld. Voor de afsluiter putten de puppies traditiegetrouw uit hun klassieke album ‘We like it here’. Twee jaar terug kregen we een verhitte versie van persoonlijke favoriet ‘Lingus’, dit jaar was albumopener ‘Shofukan’ aan de beurt, een fantastisch nummer met meebrulmoment op het einde. Na de show moest Rik De Bruycker de honneurs komen waarnemen als verteller, maar hij raakte niet doorheen het dolzingende publiek. Lo lo looooooo lo lo looo!
Vervolgens kregen we in de tuinen een intermezzo met De Beren Gieren. Intussen vervelden deze beren tot ‘Fuzzy Bears’. Alvorens je hun vel verkoopt, moet je ze in deze elektronische nieuwe vorm misschien tijd geven om nog wat aan te dikken voor hun winterslaap. Bassist Lieven Van Pée lachte zich doorheen de show meerdere keren, iets wat uitermate aanstekelijk werkte en me doet vermoeden dat er nog veel ruwe hoeken, haken én ogen zijn in deze elektronische versie van het vroeger klassiekere jazztrio. Ze klonken nog niet helemaal overtuigend, al was de combinatie met enkele elektro-akoestische drums (lees: resonerende brokken metaal) best te pruimen, en ook de toevoeging van Fulco’s vleugelpiano zorgde voor een mooi amalgaam aan klankkleuren.
Voor headliner nummer twee, Darkside, stond de zaal wel afgeladen vol. De Chileense halfgod Nicolas Jaar maakt dan ook al twee decennia het mooi weer in het hokje ‘elektronica die toegankelijk is maar ook nét dat tikkeltje schuurt’. Hij mocht al veel sterren verzamelen in onze reviewkaternen. Wij herinneren ons vooral het fantastische ‘Sirens’ en ‘2012-2017’ onder zijn alter ego Against All Logic. Maar bij het grote publiek bleef vooral zijn Darkside project met gitarist Dave Harrington plakken. In de vroege jaren van het vorige decennium speelden ze veel festivaltenten plat met hun trage beats en meanderende blues-y gitaren erbovenop, iets wat het publiek duidelijk niet vergeten was.
Laat het echter aan Jaar over om het publiek net niét te geven wat deze wil. De live drummer is een uitstekende toevoeging, maar Jaar hield de regie strak in handen: met één knop kon hij, DJ-gewijs, de drumkit filteren om de bassen eruit te halen. Een trucje dat iedereen die al twee seconden achter een DJ-booth vertoefde vast en zeker kent: even die basdrum eruit filteren, handjes in de lucht, en droppen maar. Al bleef die laatste stap dus meermaals genadeloos uit, tot frustratie van een deel van het publiek. Nochtans werkte het soms betrekkelijk goed: de eindeloze spanningsopbouw zorgde voor een gespannen, uitgerokken sfeer die bij momenten de adrenaline door de aderen stuurde. Een raar gevoel wanneer de climax uitblijft, dat alsnog werkte. Tracks als ‘Golden arrow’ kwamen ook binnen, inclusief de zeldzame keren dat Jaar de microfoon beroerde om, gedrenkt in effecten, het uit te schreeuwen.
Het was uiteindelijk echter het publiek dat zichzelf in de voet schoot. Voor het bisnummer waren we nochtans met tientallen mensen in het publiek een minuutlang ‘shhhhhhhh’ aan het doen om de kleuters rond ons het zwijgen op te leggen. Het bracht echter geen zoden aan de dijk, en de ambient intro ging volledig verloren. Jaar had nochtans speciaal een basklarinet uit zijn schuif getoverd om wat magie op te wekken. “Slechtste bis ooit” schreeuwde iemand naast ons het uit, waarna ik vriendelijk verzocht of mevrouw niet alvast naar de bar wou gaan dan. Niet de ultieme concertervaring dus, al lag dat maar ten dele aan Darkside zelf. Ik blijf alvast tevreden dat ze ons niét geven wat we willen, enkel zo kan muziek spannend blijven.
Wie gaf uiteindelijk de mainstage wel wat ze wilden? Dat was het Belgische Stavroz, dat liet zien wat er gebeurt als je wel elke maal die beat dropt. De handjes gingen vlot in de lucht, de zaal was in beweging, en ik vertrok een half uurtje voor het einde. Noem me gerust een zuurpruim, een omhoog gevallen kwast of een norse pummel, maar het gebrek aan schuren kon me niet bekoren. Alles passeerde gladjes, de akkoorden waren licht exotisch gekruid maar niet té, een witgewassen versie van iets wat ooit spannend was.
De Garden Stage werd dan weer wel in stijl afgesloten. De stilaan legendarische saxofonist Mattias De Craene (Nordmann, MDCIII) kwam samen met Black Koyo en een ketel patchouili (géén grap!) het podium op. Het zette meteen de toon voor het meest bezwerende optreden van de avond. Black Koyo zong in trio, met call and response, percussie rond de vingers en handen, en met hoedjes met zwaaiende floshkes. Intussen wisselde De Craene tussen synthesizers, elektronica en saxofoon om een ongelofelijk diep klanktapijt op te roepen. Volledig in vervoering vloog het optreden voorbij, terwijl ik snakte naar meer. Wat een weergaloze combinatie van stijlen die door de virtuositeit van alle bandleden niet clasht, maar opgaat in een nieuw geheel. Wat een live-beleving. Meteen na de show, stonden er al enkele data met stip in mijn agenda om dit opnieuw mee te maken. Hulde!


