Voor de editie van 2026 trok het experimentele festival Night Air naar een nieuwe locatie. Centrum Kortrijk werd ingeruild voor Zwevegem. De inspirerende Transfosite, een voormalige industriële elektriciteitscentrale, vormde het decor voor het minifestival dat maar al te graag buiten de lijntjes kleurt. Een plaats waar de artiesten duidelijk bijzonder goed aardden.
Suzan Peeters & Marilou Dejans brachten een totaalbeleving waar muziek en beeld elkaar naadloos aanvulden. Peeters haalde het maximale uit haar accordeon, terwijl de beelden van Dejans prachtige sfeer schepten. Landschappen werden op Peeters & Dejans zelf geprojecteerd en ze wandelden rond met grote witte vlaggen die de beelden opvingen. Peeters stapte door het publiek waarbij hij repetitieve gezangen écht surround waren: je hoorde de ze naast je én door de luidsprekers in de zaal. Een geslaagde samenwerking tussen klank en beeld.
Nemø ensemble startte met een klassieke intro in de opstelling met keyboard, cello en dwarsfluit. Het gespeelde stuk was van de hand van de Brits-Japanse componist Ben Nobuto. Na de openingsminuten veranderde het spel in een dynamische mix van elektronica, waarbij samples en beats vermengd werden met de klassieke instrumenten. Het is een geheel die in een nachtclub niet zou misstaan. Ze versnelden en zweepten op om naar een climax te evolueren waarbij de instrumenten het uiteindelijk heel zwaar te verduren kregen. Er is niet echt een conventionele songstructuur, dus we vielen van de ene verrassing in de andere. Zo galde plots het gekir en gekrijs van een baby door de speakers, waarop de instrumenten gretig inspeelden. Het Nemø Ensemble bracht muzikaal plezier met het erg genietbare stuk van Nobuto.
De Franse percussionist Aurélien Gignoux speelde op een erg speciaal instrument ontworpen door Théo Mérigeau. Die laatste liet zich inspireren door een 20-koppig Balinees gamelanorkest om iets te ontwerpen wat er uitziet als een doe-het-zelf-orgel. Het speciale bouwsel klinkt ook zoals het eruit ziet: industrieel, intrigerend en bijzonder goed passend in het industriële muzikale “gebedshuis” dat de Transfo in Zwevegem voor de gelegenheid was. Gignoux gebruikte zijn handen én voeten (met een soort luchtmatraspompen om melodie en percussie te combineren. Het geheel deed denken aan een stoomlocomotief die gestaag het station uitglijdt en meermaals zijn vertrek aankondigt door middel van zijn stoomfluit. Ook dit paste zeer mooi in het industriële decor van de machinezaal.

Aurélien Gignoux
Miguel Ángel García Martin speelde drie verschillende keren in de machinezaal van de Transfo. Ook hij speelde gretig in op het industriële en ruwe karakter van zijn omgeving. In zijn verschillende sessies gebruikte de percussionist ongebruikelijke elementen, zoals grote industriële wielen, dikke springveren, en meer die hij incorporeerde in zijn percussiespel. Daarbij liet hij luide dreigende klanken echoën door de grote ruimte. Hij streek langs zijn cimbalen met een strijkstok en sloeg ze dan weer aan, om na de luide uitbarstingen uiteindelijk zacht en subtiel te eindigen. Doorheen het hele spektakel blijf je geïnteresseerd en geïntrigeerd luisteren.
De Gentse Natasha Pirard bracht in 2025 de plaat ‘Fernande, Cecile’ uit op het Deewee label van de broers Dewaele, ter ere van haar moeder en grootmoeder. Pirard combineerde instrumenten met warme tape loops die ze live manipuleerde. Het geluid met vogelzang en dromerige ambient drones met lange uitgesponnen klanken voelde erg teder en zacht. Pirard improviseerde ongetwijfeld ook tijdens deze show. Het was alsof iemand voorlas uit haar dagboek en intieme gevoelens met je deelde. Tijdens haar performance wikkelde ze nieuwe tape op haar kleine machine en wikkelde ze de tape vervolgens weer af. Een artieste om in de gaten te blijven houden!
Het Collectief en Klaas Verpoest vormden het sluitstuk van deze experimentele namiddag en avond. Het kamerorkest Het Collectief bracht een compositie van David Fenessy en Jean-Luc Fafchamps, die op hun beurt geïnspireerd werden door ‘Why patterns?’ van Morton Feldman. Een piano, fluit en xylofoon/glockenspiel gaan elk volledig hun eigen weg. Hun melodische pad kruiste slechts bij toeval. Daardoor klonk het geheel dissonant, en vroeg het heel wat van de luisteraar om te verwerken. Het koppige ‘samenspel’ zou wonderwel passen bij een dystopische fom vol eenzaamheid en desolate, vernietigde landschappen. Naar het einde van het optreden werden de visuals van Klaas Verpoest geprojecteerd die eruitzagen als een zwerm insecten die zich in groep voortbeweegden, met een soort witte bliksemschichten ertussenin. Hoewel de projectie heel erg mooi was, voegde ze niet meteen een grote meerwaarde toe. Na een uur en een kwartier instrumenten die hun eigen weg gingen zat Night Air 2026 er alweer op, en bood het opnieuw heel wat stof tot reflectie.
Night Air bood ook deze editie op puike wijze een platform aan experimentele (neoklassieke) muziek en kunst, en wanneer de artiesten dan nog eens opgaan in, of interageren met de fantastische locatie, dan wordt één plus één drie.